Aan de totstandkoming van deze digitale encyclopedie wordt nog gewerkt.

1624: Nieuwe linden op de Markt

Uit De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven
Versie door Jfmhusken (overleg | bijdragen) op 6 jan 2019 om 19:29
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Eindhovens binnenstad, daar gebeurt tenminste wat (in 1624)

Dagelijks ondervinden bezoekers van het centrum van Eindhoven - te voet of met welk vervoermiddel dan ook – niet alleen hinder van auto's, brommers en fietsen, maar ook van de bouwwerkzaamheden aan Eindhovens prestigieuze projecten die het imago van de stad wat moeten opkrikken. Veel potentiële bezoekers wijken dan ook uit naar de centra in de stadsdelen of daarbuiten. Ook in het verleden kwam het regelmatig voor dat grote werkzaamheden in de stad werden uitgevoerd. Toen waren er echter nog geen sub-centra! Wij nemen hier het jaar 1624 als voorbeeld. De kosten van de activiteiten vinden wij terug in de stadsrekeningen; de borgemeesters telden een week voor vijf werkdagen en betaalden de arbeiders 15 stuivers per dag.

Nieuwe linden op de Markt
Vroeg in de morgen van de zevende maart 1624 gingen borgemeester Willem Ghijsbrechts van Uden en zijn stadgenoot Ansem Lenaerts op weg naar Tongelre om te horen waar zij jonge lindebomen konden kopen. De volgende dag vervolgde Willem zijn tocht, ditmaal met Symon Bertrums. Zij bezochten een inwoner van Tongelre die hen naar Woensel verwees; vandaar trokken zij naar Strijp waar nog een viertal mensen werden bezocht. Op 0.L.V.-Boodschap (25 maart) ging Willem, nu met Dirck van den Broeck, opnieuw naar Strijp en wel naar een bewoner van 'Vaers Welpschot' (Verre Welschap), maar diens linde bleek te groot te zijn.

Op 27 maart werd door twee arbeiders begonnen aan het verwijderen van de betimmering onderaan de oude linde. Daarvoor moest een kleine ladder worden geleend die het gebruik niet overleefde en waarvoor 12 stuivers schadevergoeding moest worden betaald, 's Middags lieten de borgemeesters het verwijderde hout op een kar in de kerk voeren en begon men met het kappen van de oude linde, die 'doot en dors gevroren was'.

Op 28 maart 's morgens om 8 uur legde de boom het loodje. Vervolgens werd een jonge linde uitgegraven in de hof van schout Leyten, die wij overigens op de tocht door Tongelre, Woensel en Strijp nog niet waren tegengekomen. Leyten ontving als vergoeding een nieuwe hoed, die de stad voor zes gulden bij Jenneken Hans Hoeijmaeckers had laten maken. Jan van Hunsel haalde de boom op en vervoerde die naar de Botermarkt. Dezelfde en de volgende dag voerde hij ook nog 22 karren 'hofaarde' (tuingrond) aan en haalde hij in Tongelre een tweede linde op. Deze boom was in bijzijn van de knecht van de heer van Tongelre 'aen de Kerperdonck' door arbeiders uitgegraven. Verder werden nog tuinhout (het oude woord tuin betekent omheining, tuinhout was dus hout waarmee een omheining kon worden gemaakt), deurnagels en plankjes aangesleept, waarna de linden konden worden gepoot en de boomvoeten geplankt en getuind.

Op 25 mei tenslotte, op 'Sincxtenavond' (de dag voor Pinksteren), werden aan de linden op de Markt bussels met dorens gebonden en werden negen karren aarde aangevoerd, om 'met godts hulpen' te voorkomen dat de wortels die door de tuin of de planken kropen zouden verdrogen.
Nadat de linden waren geplant kon de Markt verder worden opgeknapt. Op de oever van de Gender op de Markt werd een kar tuinhout afgeleverd, vermoedelijk om de Gender te beschoeien. Het vegen gebeurde met 'schoep en schup'. Karren vol slijk werden van de oever afgevoerd en over de Markt verspreid. Daarna werden karren zand aangevoerd om het slijk af te dekken ('schickelijc daerover neder slichten').


Bron: bijlage 69 bij de borgemeestersrekening boekjaar 1623/1624.

Jan Melssen
in: 't Gruun Buukske 1991, 79