Aan de totstandkoming van deze digitale encyclopedie wordt nog gewerkt.

De afzet van boter en melk rond 1900

Uit De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven
Versie door Jfmhusken (overleg | bijdragen) op 25 feb 2016 om 17:16
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Een enkel woord over de afzet van boter en melk

De boeren ruilden hun geproduceerde boter in het verleden dikwijls bij de plaatselijke winkelier voor winkelwaren. Die mengden de boter en brachten het product naar de Eindhovense botermijn, waar het aan boterhandelaars werd verkocht.

De coöperatieve boterfabriekjes verkochten hun productie zelf op de mijn. Nadeel van deze afzetmethode was echter, dat zij zo sterk afhankelijk bleven van individuele boterhandelaars. Deze-handelaars waren berucht om hun geknoei en er de oorzaak van dat de Nederlandse boter in het buitenland een slechte naam had gekregen. Wilden de boterfabriekjes exporteren, dan dienden zij het vertrouwen van de buitenlandse markt terug te winnen. In Limburg werd daarom in 1893 door een aantal coöperatieve bedrijfjes het initiatief genomen tot de oprichting van de Zuid- Nederlandsche Zuivelbond, die in 1895 in Maastricht een eigen botermijn oprichtte, waaraan ook Noordbrabantse coöperaties hun boter gingen leveren.

Daarnaast werd in 1897 vanuit N.C.B-kring in Eindhoven nog een botermijn opgericht en twee jaar later een Noord-Brabantsche Zuivelbond, die in 1902 met de mijn zou samensmelten. Aan de afzet van de boter en de geschiedenis de Eindhovense mijnen hoop ik in de toekomst nog eens een afzonderlijk artikeltje wijden. Ik ga er daarom hier niet verder op in, temeer omdat elders al het een en ander over dit onderwerp geschreven is.

Een heel ander verhaal is de afzet van melk. Daarvoor waren in het begin van de eeuw verschillende kanalen. Allereerst werd door sommige boeren in het huidige Eindhoven rechtstreeks aan de consument geleverd, daarnaast leverden de boeren aan de melkhandelaren en tenslotte kon de consument bij de boterfabrieken terecht, die na verloop van tijd naast boter en karnemelk aan particulieren ook melk gingen leveren.

bronnen:
- De vele kranten, in bezit van het RHCe, die door mevrouw P.C. de Haas — van den Boer geïndiceerd zijn.
- RHCe: de administratieve archieven van Eindhoven en de verschillende voormalige gemeenten, met name in de landbouwverslagen en de hinderwetten.
- De Nederlandsche Landbouw in het Tijdvak 1813-1913 ('s-Gravenhage, 1913).
- H. van Velthoven, De Vestiging van de Moderne Zuivelindustrie In Noord-Brabant en Limburg (In: Tijdschrift voor Economische Geographie, vijftiende jaargang, 1914, 175-185).
- Mr. J.J. Wintermans, Geschiedenis van den Noordbrabantschen Boerenbond N.C.B, (z.pl., 1946).
- Een eeuw boeren op papier, tentoonstelling over de archieven van drie landbouwcoöperaties In het zuiden: Camplna, CHV, Suiker—Unie ('s-Hertogenbosch, 1988).
- J.C. Dekker, Het ontstaan van de zuivelcoöperaties in het zuiden van Nederland (In: Industriële Archeologie nr. 40 (1991).
- Martijn Bakker, Boterbereiding in de late negentiende eeuw (Zutphen, 1991).
- De jaarverslagen uit de beginjaren van St. Joseph en St.Petrus, die aanwezig zijn in de bibliotheek van het RHCe.
- Informatie van de familie Bannenberg en de heren J. Adang en L. Vrijdag.

J. Spoorenberg
in: 't Gruun Buukske 1992-9 e.v.