Aan de totstandkoming van deze digitale encyclopedie wordt nog gewerkt.

Eindhoven volgens Hanewinkel

Uit De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven
Versie door Jack (overleg | bijdragen) op 7 mei 2015 om 17:50 (Typo)
Ga naar: navigatie, zoeken
Beeld van de Rechtestraat uit het midden van de achttiende eeuw. Tekening uit 1931, vervaardigd door de heer M. Broekman, naar een pentekening van H. Spilman (1721-1784), die diende als omslag van 't Gruun Buukske, de periodiek van de Heemkundige Studiekring Kempenland Eindhoven.

Beknopte beschrijving van Eindhoven volgens Steph. Hanewinkel (1803)

Eindhoven is een niet onaartig stadjenen Heerlykheid, liggende zes uren ten zuiden van ’s-Hertogenbosch, niet ver van de Dommel; drie uren zuidwestelijk van Helmond; veertien uren noordwestelijk van Maastricht en even zo ver noordoostelijk van Antwerpen.
Men verschilt zeer veel aangaande de naamsoorsprong van dit stadjen; want enigen willen, dat het zynen naam heeft van het riviertjen de Einde of Ende, tegenwoordig de Gender, welk het zelve van Woensel scheidt, en beneden dit stadjen in de Dommel valt, en hiervan zou dit stadjen Endehoven (zo sprak men oudtyds dien naam uit) genoemd zyn. Sommigen hebben gesteld, dat dit stadjen in het begin zo arm was, dat er in alle huizen maar één bakoven werd gevonden, waarvan het Eénoven, en vervolgens Eindhoven zou genoemd zyn.(1) Beter is het gevoelen van A. Wichmans (2) die den naam Eindhoven afleidt van Landhoevern, en dat deze benaming zou betekenen: quasi villarum finis, dat is: het einde der hoeven; maar hetgeen hy erby voegt, dat sommigen willen, dat Eindhoven zou te kennen geven, dat de zee eertyds tot hier toe haren vryën loop heeft gehad, en dat hier het einde dus was van alle dorpen, is geheel ongegrond.

De Geleerde Heer en Mr. W.C. Ackersdyck geeft my het volgende omtrent de naam van dit stadjen, hetgeen alle de door my opgegevene en andere naamsafleidingen van Eindhoven doet vervallen. Dus schryft hy my: “In de uitgave der Salische wetten door G. Wendelinus vindt men(3) een Malbergium, of plaats van wetgeving en rechtspleging, genoemd Andechobina. Wendelinus houdt die plaats voor Eindhoven; en hy merkt ten regt aan, dat die naam van Andechobina juist met dien van Eindhoven over één komt; want Chobina of Hobina is in de taal der Middeleeuw ene hoeve, hofstede, en dus And-Hoven. - Het heeft dan veel waarchynlykheid, dat door Andechobina Eindhoven bedoeld zy; en men zou daar uit ook kunnen opmaken, dat de naamsafleiding is van ene Hoeve of Hoeven; aan het riviertjen de Einde, Ende of Ande”.

Het oude stadhuisje van Eindhoven uit 1554 aan de Rechtestraat volgens een tekening van een onbekende kunstenaar.

Dit stadjen ligt niet vast aan de Dommel gelyk gewonelyk gedacht wordt (4) maar wordt door een gedeelte van Straathem van dezelve gescheiden; want Eindhoven bezit geenen voet gronds buiten zyne grachten. Het is hier zeer levendig, vooral wegens de doortogt der postwagens van ’s-Hertogenbosch naar Maastricht, alsmede der vracht- en andere karren naar Luikerland en Oostenryksch Brabant, thands Belgiën.

Het bestaat uit ene regte straat , welke omtrent een vierde van ene uur lang is, en enige weinige zydstraatjens. Het heeft een schoon vierkant Marktplein, waarop, behalve tien jaarmarkten, alle dingsdagen ene weekmarkt, aan dit stadjen in 1232 door Henrik I, Hertog van Brabant en Lotharingen vergund, gehouden wordt. Het stadhuis is geen schoon gebouw, echter pronkt het met enen schonen doorluchtigen toren, versierd met enen groten knop en voorzien van een goed klokkenspel.

Catharinakerk getekend door Jan de Beijer in het midden van de 18e eeuw.
Catharinakerk uit het boekwerk van Hanewinkel uit 1799, getekend door Jan Bulthuis (1750-1801).

De kerk is een groot doch lomp gebouw, met enen zwaren en lagen toren. Volgens sommigen zou de spits dezes torens op den 8 Februari1525 door enen geweldigen storm omgewaaid zyn (5); en volgens anderen is de spits by de belegeringen weggeschoten: thands is die toren met ene zeer lage kap gedekt. In 1794stortte de muur tusschen het ruim en het choor dezer kerk in, wyl de Franschen enige pylers, om hunne bakovens in dezelve te plaatzen, weggeruimd hadden: Onder de byzondere gebouwen zyn enige zeer fraaie huizen, en men legt zich toe, om dezelve van tyd tot tyd merkelyk te verbeteren.
De inwoners leggen zich, voor het grootst gedeelte, enige ambachtslieden uitgezonderd, met yver toe op den koophandel’welke hier zeer sterk wordt gedreven; zy bedragen een getal van 1.959 zielen Zy volgen in hunne taal en klederpracht, welke hier zeer groot is, veelal den Brabantschen smaak.

In dit stadjen wordt zeer goed bier gebrouwen, ook wordt hier dingsdags de wekelyksche prys van granen en boter voor een groot gedeelte der Meiery geregeld. Men heeft hier thands ene Latynsche en ook ene Fransche School. Hier is geboren Godschalk Rosemont, doctor in de Godsgeleerdheid en hoogleraar te Leuven.
Ook is Eindhoven, zo myn geheugen my niet bedriegt, de geboorteplaats van den beroemden, en door zijne schriften genoeg bekenden, godsgeleerden P. van der Hagen. Dit stadjen werd al vroeg met muren en grachten versterkt; want in den Giftbrief van Hertog Henrik I in den jare 1232, waar in Eindhoven srtadsgerechtigheden verkreeg, komt het reeds voor als ene bemuurde plaats, wordende toen reeds, volgends de schryftrant in die tyden, opidum en dezelfs inwoners burgenses genoemd.(6) Het ontving daarby dezelfde vryheid als opidum De Busco, dat is: de stad ’s-Hertogenbosch.

In 1399 werdt de kerk tot enen collegiale kerk gemaakt; wyl de Bisschop van Luik, Jan van Beieren, op verzoek van Willem van Millenberg, Here van Eindhoven en Kranendonk, aldaar een collegie van negen wereldlyke kanoniken stichtte.(7)
De Hertog van Gelder meende in 1397 Eindhoven in te nemen, maar dit mislukte. In 1543 werdt dit stadjen door M. van Rossem ingenomen, geplunderd en de gehele bezetting over de kling gejaagd.

Ingekleurde prent van Frans Hogenberg uit circa 1585. De Graaf van Mansfeld trekt in 1583 de stad in, Bonnivet verlaat deze.

In 1552 werdt het door de vlammen vernield, doch weder opgebouwd zynde, waar toe de graaf van buren, toen Heer van Eindhoven, de derde penning gaf, werdt hetzelve in 1581 door het Staatsche krygsvolk ingenomen, doch in beging van Oktober dezes jaar door de Spaanschen weer hernomen.
1583 werdt Eindhoven door enen hoop Franschen, onder aanvoering van den Here van Bonnivet, verrast, en voor de Staten ingenomen; doch drie maanden daarna werdt het weder door den Grave van Mansfeld en door Claude de Barlaymont, Here van Haultepenne voor de Spanjaarden heroverd, dewyl de bezetting, door hongersnood gedrongen, hetzelve moest overgeven; zy trok echter met alle krygseer den 23 April deze jaars uit Eindhoven. Door deze herhaalde belegeringen hadden de vestingwerken zó veel geleden, dat de Spanjaarden het besluit namen, om dezelve te slechten, waardoor dit stadjen tot een open vlek is gemaakt; het slot of kasteel bleef echter nog in wezen.

In 1604 werdt Eindhoven door de muitende Spanjaarden deerlyk uitgeplunderd.
In 1629 trok enig krygsvolk van Prins Fredrik Hendrik, die ’s-Hertogenbosch belegerde, naar Eindhoven, en nam op den tweden dag daarna het slot of kasteel aldaar in; hierna is dit kasteel weggeraakt, en men weet niet eens meer, waar hetzelve heeft gelegen.
In 1702 sloeg het Fransche leger zich in of by Eindhoven neder. In 1747 eischten de Franschen van Eindhoven 4.000 rations hooi, ieder van vyftien ponden, en een gelyk getal rations haver, onder bedreiging van uitpanding volgens krygsgebruik, weshalve ook aan gemelden eisch voldaan werdt.
In 1794 leedt dit stadjen veeldoor de Franschen;(8) Ook richtten dezelven enige bakovens in de kerk, die aan de H. Katharina gewyd is, op, wordends het brood voornamelyk verzonden naar de Fransche troepen, die in dien tyd Grave en Nymegen belegerden.

Den 9 November 1800 leedt dit stadjen veel door den geweldigen orkaan, die in hevigheid weinig weerga vindt.(9)
In 1801 sloegen de Franschen, in dienst deze Republiek, een Campement op, niet ver van Eindhoven.

Dit stadjen heeft, van vroege tyden af, aan het geslacht van Orange Nassau, he zy als ene afzonderlyke Heerlykheid, het zy als ene onderhorigheid van de Baronnie van Kranendonk, behoort, doch men kan niet juist bepalen, sedert wanneer; het schynt echter, dat het zelve, door het huwelyk van Prins Willen I met de Gravinne Anna van Egmond, erfdochter van Maximiliaan, Grave van Buren, in het Vorstelyk huis van Orange is overgegaan.

noot 1: Zie Oudenhoven, Beschryving van de Meiery van Hertogenbosch bl. 53.
noot 2: Brabantia Mariana Lib. II. Cap. 31.
noot 3:Titulo 41. pag. 28. uitgegeven te Antwerpen 1649.
noot 4: Tegenwoordige Staat der Verenigde Nederlanden deel II. blad. 79. W.A. Bachiene Beschryving der Veren: Nederlanden. Deel IV blad. 591. In de schone kaart van den Rhyn in 1797 in Amsteldam by A.B. Saakes uitgegeven is de ligging van Eindhoven niet naauwkeurig.
noot 5: Oudenhoven t.a. pl. 53 Reize door de Meiery van ’s-Hertogenbosch in 1799. bl. 116.
noot 6: Bachiene t.a.p. bl. 591 zegt: dat men met gene zekerheid kan zeggen, wanneer Eindhoven met stadsgerechtigheden is beschonken, en schryft zulks toe aan Henrik II in 1232 of aan deszelfs opvolger Jan I; doch dit is ene grove fout, want Hertog Henrik II regeerde van 1235 tot 1247 en Jan I van 1268 tot 1294. Gemelde giftbrief van Hertog Henrik I, is woordelijk te vinden bij J. van Oudenhoven ter a. pl. bl. 52.
noot 7: Jan van Beieren was ongeördend bisschop van Luik, en wordt meestal Jan zonder Genade genoemd, om dat hy dezelve , by het dempen van een oproer te Luik, aan zyn volk geweigerd hadt. Hij verliet den geestelyken stand, begaf zich met verlof van Paus Martinus V keizer Sigismund; in huwelyk met Elisabet van Gorlitz, weduwe van Antony Hertog van Brabant; en werd door gemelden Keizer in het bewind van Holland gesteld. Hy overleed te ’s-Gravenhage door vergif, wordende weinig betreud, dewyl hy oorzaak van vele onlusten, verwarringen en bloedstortingen was geweest. Hy was de oom van Vrouwe Jacoba van Beieren.
noot 8: In September 1794 viel hier de volgende dappere daad voor. Een Hanoversche wachtmeester van de Dragonders, op herkennen (recognosceren) uitgezonden, ontmoette in dit stadjen enige Fransche Dragonders; zy omsingelden hem, doch hy verweerde zich zó dapper, dat hy énen Franschman van het paard sabelde, en de twe anderen (hy vocht tegen drie) op de vlugt dreef; hy ontving slechts ene zeer ligte wonde in de regte hand en den enen voet, en bragt zelfs een paard, dat hy hen ontnomen hadt, mede. De schryver was er zelf by tegenwoordig, toen die wagtmeester aan den Hanoverschen Generaal Major Von Linsingen, bericht bragt van zyn wedervaren. Deze daad wordt naar waarheid verhaald in de Hannoveraner Zeitung van 15 September 1794.
noot 9: In de Haarlemsche Courant van 13 November 1800 wordt deze storm te Eindhoven dus al te overdreven geschetst: “Op den 9 November 1800 ontstondt te Eindhoven, ’s namiddags van 2 tot 6 uren een alleryselykste storm uit het zuidwesten, welke ene vrezelyke verwoesting aanrigtede; geen huis bleef onbeschadigd; enigen zijn geheel ingestort” Dit verhaal is even overdreven, en dus even onwaarschynelyk, opgegeven in de beschryving van den storm van den negenden November 1800, met deze woorden: “Te Eindhoven was de strom zó hevig, dat geen enkel huis, hoe sterk gebouwd en hoe gunstig ten aanzien van den storm gelegen, onbeschadigd bleef”. Zie in de beschryving bl. 29.

Nota bene:
Dominee Hanewinkel beschreef de Meierij en de Kempen in 1803, zoals hij zelf schrijft, geheel onpartijdig en onbevooroordeeld (“met de nauwkeurigste onzijdigheid”. ”Het stonde niet aan mij om het gebeurde naar mijn welgevallen te schetsen….. ja ik mag mij beroemen, dat de volmaakte onzijdigheid door mij is in acht genomen”). Aan deze onpartijdigheid mag getwijfeld worden. In andere geschriften van zijn hand liet hij zich wel bijzonder laatdunkend uit over de lokale bevolking, met name over de katholieken onder hen. “Onder de Roomschen is volstrekt geen geleerdheid te vinden”, zo schreef hij, “wijl zij allen op den ellendigen Akademie van Leuven gestudeerd hebben”. De Roomsche godsdienst bestempelde hij als”bejammerenswaardig”en de preken van de priesters “allerrampzaligst”. Hoe kon het ook anders, aangezien zij “zoo dom waren als hunne leken”. (bron: wikipedia.org)