Aan de totstandkoming van deze digitale encyclopedie wordt nog gewerkt.

Eindhovense middenstanders

Uit De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Eindhovense middenstanders

De geschiedenis van de Eindhovense industrie is in diverse bronnen uitgebreid beschreven, maar de rol van de detailhandel in Eindhoven bleef onderbelicht. Toch is die voor Eindhoven altijd van groot belang geweest.
In 1232 kreeg Eindhoven het recht om een weekmarkt te houden, de oudste gegevens over de kleinhandel dateren echter uit 1419.
In dat jaar richtte Jan van Schoonvorst vijf ambachtsgilden op, maar wellicht reorganiseerde hij de bestaande gilden. In zijn ordonnantie lezen we bij het gilde van St. Nicolaas en St. Eloy over poorters die de kost verdienden met “coopmanschappen van klijnder maten ende gewichten”. Elders worden zij aangeduid als burgers die met “balancen ofte waghe” “vettewarije(1), kremerije, drogisterije en apothekerije ten clyne slete” afwogen, met een ellestok “passementen, coorden en boombasijnen” verkochten of andere waren in het klein aan de man brachten. Maar ook bij de vier andere gilden waren heel wat detailhandelaars aangesloten. Daarbij moeten we dan niet alleen denken aan bakkers en slagers, want ook veel andere ambachtslieden verkochten hun waren toen nog direct aan de consument.

Gegevens over de detailhandel zijn schaars. Daarom is de lijst die in 1665 werd opgemaakt van poorters die beneden de 2.000 gulden gegoed waren een opmerkelijk stuk. Want daarin staan niet alleen de namen van de betreffende Eindhovenaren, maar ook hun beroepen of de producten waarin ze handelden. Behalve de bakkers en slagers vinden we daarin ook winkeliers en marktkooplieden die vettewarijen en kramerijen verkochten, wild, garnalen en schol, mosterd, brandewijn, tabak, aarden potten, kuipen, bedden, ja zelfs peperkoeken, poppen en kindertrommels.
De Eindhovense kleinhandelaars verkochten hun waren niet alleen in of bij hun woonhuis, maar stonden dikwijls ook met een kraam op de markt. Soms verplichtte hun gildereglement hen daar zelfs toe. Ook op de jaarmarkten in de omgeving waren zij geen onbekenden. Dat zou zo blijven tot in de 19e eeuw.

In 1807 werd het belang van de Eindhovense groot- en kleinhandel nog eens benadrukt door Servaas de Graaff(2). “Men heeft hier drie aanzienlijke huizen van negotie, welke in Duitsche manufacturen of zogenaamde Frankforter waaren hansdelen….Vifj doen sterke negotie in tabak, snuif, kofij, thee en kruidenierswaaren; behalve deze is er een aantal grote en kleine winkels van opgemelde waaren, en onderscheidene soorten van linnen, katoene, wolle en zijde stoffen”.
De patentregisters over 1806 geven nog wat aanvullende informatie. Eindhoven telde 122 winkeliers, waarvan er dertig ook markten en kermissen bezochten. Over het algemeen hadden de bedrijven echter een kleine omzet: 99 werden in de patentbelasting aangeslagen voor het laagste tarief. In Gestel waren toen 14 winkeliers gevestigd, waarvan er zeven ook markten en kermissen bezochten. In stratum woonden 13 winkeliers in “coffij, thee en allerhande kleinodiën”, waarvan er één zijn waren op markten en kermissen verkocht. In Strijp waren 11 winkeliers gevestigd, waarvan er zes markten en kermissen opgingen. In Woensel tenslotte woonden 20 winkeliers, waarvan er negen regelmatig een kraam bemanden. Bij deze aantallen zijn de bakkers en slagers mèt winkel niet meegerekend.
Uit de lage omzetcijfers van de bedrijven blijkt, dat de winkel dikwijls een noodzakelijke bijverdienste zal hebben betekend, die daarnaast het voordeel bood, dat de waren voor de eigen huishouding voor inkoopprijs konden worden betrokken. Omdat de winkelbedrijven over het algemeen klein waren, is er weinig over in de archieven bewaard.

In de tweede helft van de 19e eeuw stonden in tegenwoordige winkelstraten als Rechtestraat en Vrijstraat nog een groot aantal gesloten woonhuizen, soms voorzien van privéstoepen die met kettingen waren afgezet. Het aantal winkels in de Eindhoevnse binnenstad was dan ook veel kleinenr dan tegenwoordig. Met de groei van het inwoneraantal van de stad en de omliggende dorpen nam dat aantal echter toe. Over het algemeen waren de nieuwe winkels nog zaken van de oude stempel. Zij hadden een geringe oppervlakte en konden mede daardoor maar een beperkt assortiment voeren. De bediening echter was heel persoonlijk, want of nu de eigenaar, zijn vrouw of een “winkeldochter” (verkoopster) achter de toonbank stond, zij kenden iedereen met naam en toenaam. De boerinnen die op marktdagen hun inkopen kwamen den, werden in sommige winkels na gedane zaken zelfs op koffie getrakteerd en de Eindhovense klanten hadden kans met nieuwjaar bij de bakker of kruidenier een peperkoek cadeau te krijgen en bij de slager een worst, een zultje of een stuk balkenbrij.

Was de sfeer gemoedelijk, minder goed was het gesteld met de betaalcultuur. Er werd veel gekocht op krediet. Niet alleen door minderbedeelden, maar ook door de welgestelden. Zelfs nadat de winkeliers op Verloren Maandag (de maandag na Driekoningen) deze laatsten de rekeningen over het afgelopen jaar hadden gestuurd, wachtten sommigen nog maanden met betalen. Te snel aanmanen werd als ongepast beschouwd en als een teken van wantrouwen en dat lieten de winkeliers dan ook wel uit hun hoofd. Natuurlijk zorgden zij er wel voor, dat hun winstmarges aan de betaalcultuur waren aangepast.

Maar er stond een nieuwe tijd voor de deur. Moderne zakenlieden waren er van overtuigd, dat zij meer konden verdienen met lage winstmarges en hoge omzetten, dan omgekeerd. Het filiaalbedrijf paste in die filosofie. Op het einde van de 19e eeuw werden de Eindhovenaren al een beetje met de toekomst geconfronteerd. Niet alleen stonden er soms advertenties in de krant van Kreijmborg &Co. uit ’s-Hertogenbosch, die klant3en uit Eindhoven hoopte te trekken voor haar herenconfectie en maatkleding, maar ook werden in de stad twee filialen geopend van moderne bedrijven die elders al een vestiging hadden. Het spits werd afgebeten door J.C. Raming uit Breda.

Pas in de tweede helft van de 19e eeuw trekken twee Woenselse kruideniersbedrijven de aandacht: de Wed. A.A. Notten en Vlijmincx de Vocht. Het eerste zal in de 20e eeuw uitgroeien tot een grootwinkelbedrijf met ruim dertig filialen en tot lang na de Tweede Wereldoorlog blijven bestaan. De geschiedenis van het tweede is korter: in de jaren twintig van de 20e eeuw zal het worden opgenomen in het EDAH-concern.

noten:
1- Vettige waren zoals olie, smeer, kaarsen; ook wel levensmiddelen in het algemeen.
2- Servaas van de Graaff, Historisch- Statistische Beschrijving van het Koninkrijk Holland, deel I: Departement Brabant.

bronnen:
Uit het verleden en heden van Eindhovens’ middenstand. In: Eindhovens Dagblad 15 t/m 20 mei 1925.
’t Gruun Buukske jaargang 14, 1985 17-19 en jaargang 22, 1993 119-121

Jan Spoorenberg 1993