Aan de totstandkoming van deze digitale encyclopedie wordt nog gewerkt.

Gasfabrieken

Uit De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

6 januari 1858: het ontsteken van de eerste gasbek in Eindhoven

In het eerste deel van de geschiedenis van het Eindhovense gasbedrijf (over de jaren 1857-1920) van R. Pladet is ten aanzien van de begindatum der gasverlichting in Eindhoven een hinderlijke fout geslopen. Reeds voordat in het openbaar de eerste straatlantaarns op gas gingen branden zou er in sommige huizen en ondernemingen gaslicht zijn geweest. Als bron hiervoor wordt verwezen naar een buitengewone vergadering van burgemeester en wethouders van woensdag 6 januari 1856, belegd om op die dag de eerste ontsteking van het gaslicht bij te wonen.(1)

Deze datum nu is een onmogelijkheid. In 1856 viel 6 januari op een zondag. Elders in zijn boek stelt de auteur het begin van de Eindhovense gasverlichting, op grond van een missive van B & W aan de burgemeester van Roermond, op 6 januari 1858.(2) Dat was wel een woensdag en op die dag werd inderdaad de eerste gasbek onstoken.

In de Meijerijsche Courant van zondag 10 januari 1858 is daar, in de rubriek 'Particuliere berigten', uitvoerig verslag van gedaan. Het volgt hier letterlijk, ontleend aan het zeldzame exemplaar van dit nummer, berustend in het Nederlands Persmuseum te Amsterdam.

"EEN SCHITTERENDE LICHTGLOED": HET ONTSTEKEN VAN DE EERSTE GASBEK IN EINDHOVEN
"Woensdag avond (=6 januari 1858) heerschte er eene ongewone drukte in Eindhoven. De stad was in een schitterenden lichtgloed gewikkeld; overal hoorde men vreugdeschoten en in de met volk opgepropte straten klonk muziek met blijde accoorden. Het dagelijksche bestuur der gemeente had, met eenige plegtigheid, den eersten gasbek ontstoken en straten en particuliere woningen waren met het zilveren gaslicht verrijkt. Behalve de pui van het gasfabriek waren ook die van de woning van onzen waardigen burgemeester, van het stadhuis en van verschillende logementen en koffijhuizen met de naamcijfers van Z.M. de Koning en met sterren in gasvlammen versierd. Op de sociëteit was een net souper, waaraan velen hadden deelgenomen.
Wij konden ons niet onthouden de uitmuntende qualiteit van het gas te bewonderen; dezelve laat niet te wenschen over. De inrigting der fabriek zelve is eenvoudig, maar zoo volledig en met zoo vele verbeteringen, vooral wat betreft de zuiveringstoestellen verrijkt, als we het zelden in de grootste steden beter zagen. En daar reeds den eersten avond zulk een uitmuntend licht geleverd is; den eersten avond, dat men nog met duizende moeijelijkheden te kampen heeft, als daar zijn het weinig zuiver gestookte der onderaardsche pijpen, de nieuwheid der retorten en de ongekendheid der qualiteit der materialen enz., kan men veilig aannemen, dat Eindhoven eene kleine, maar buitengewoon goede gasfabriek heeft gekregen.
Waarlijk, den ondernemers behoort evenveel lof als dankbaarheid te worden getoond: ze hebben aan Eindhoven eene belangrijke dienst bewezen en ze hebben niet opgezien tegen kosten of opofferingen om aan de stad goed gas te verschaffen. We zouden onregtvaardig zijn als we in deze hulde den vriendelijken en dienstvaardigen directeur vergaten; ook hij heeft een groot aandeel in het verdienstelijke werk, ook hem behoort een deel der achting en dankbaarheid der ingezetenen. Wij twijfelen niet of de kritiek, ten opzigte der fabriek gevoerd, en die wij als onpartijdig dagbladschrijver in ons blad opnamen, zal thans met ons instemmen, dat men, na te hebben gezien wat de directie der fabriek levert, zich niet te streng moet toonen omtrent de wijze, hoe zij het liefst zulks doet. Er schijnt eene prijsenswaardige eerzucht bij de ondernemers te bestaan, eene naauwgezetheid, eene bekommernis om hun werk zoo mogelijk goed en onverbeterlijk te doen zijn, en het zou dus eene te ver gepousseerde kritiek zijn, hunne ijver te veel te beknibbelen. Wij althans zijn over de qualiteit van het geleverde op den eersten avond zoo voldaan, dat wij de Eindhovensche gaz-fabriek onder de beste, die in ons land bestaan, openlijk durven roemen."

Noten:
1- R. Pladet, Geschiedenis van Gemeentebedrijven Eindhoven, Gas, deel l, 1857-1920 (Eindhoven 1975), 29.
2- Idem, 36.

J.W. Hagen
in: 't Gruun Buukske 1989, 104

1868: Milieuvervuiling in Eindhoven

Uit de notulen van de gemeenteraad van Eindhoven blijkt, dat in 1868 het water van de vest "nabij de gazfabriek(1) vaak onbruikbaar is als gevolg van teer.
De raadsvoorzitter, die een onderzoek had toegezegd, tilt kennelijk niet zo zwaar aan deze vervuiling. Hij vermoedt, dat de oorzaak gezocht moet worden in het scheppen van water uit de Vest met een emmer die tevens voor het verwerken van teer wordt gebruikt. Hij wil namelijk niet aannemen, dat met de teer verkwistend te werk zou worden gegaan, omdat die stof - naar zijn zeggen - waarde heeft.

Een raadslid, die met dit antwoord geen genoegen kan nemen, deelt mede zelf een onderzoek te gaan instellen en weet dan later te melden, dat de teerputten bij de gazfabriek lek zijn, hetgeen bij lage waterstand van de Vest duidelijk merkbaar is.
Hierna besluit de raad de directie van de gazmaatschappij te verzoeken afdoende maatregelen te treffen.

noten:
1- De gasfabriek stond in 1868 aan de Wal, tussen de Waagstraat en de Dommel.


G.L. Hagens
in: ’t Gruun Buukske 1978-109