Aan de totstandkoming van deze digitale encyclopedie wordt nog gewerkt.

Kerkklokken van de familie Moer

Uit De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Eindhovense klokken van de familie Moer

In 1988 publiceerde L.F.W. Adriaenssen het artikel 'De Bossche familie Moer in kerkklokken, altaarstukken en gebed (1452-1644)'. Een jaar later ging hij in een tweede artikel meer uitgebreid in op de werkzaamheden van de familie en hij voegde daar een lijst aan toe van de hem bekende klokken (1), waaronder die van Gobel Moer in Tongelre (1467) en Willem en Jaspar Moer in Stratum (1508).

Nu ontbreekt in de genoemde lijst de stad Eindhoven. Bij toeval vond ik onlangs een krantenknipsel, dat het Eindhovense gemeenteraadslid W. Hermans in of kort voor 1858 in het eerste deel van zijn 'Verzameling van charters en geschiedkundige bescheiden betrekkelijk de stad Eindhoven' (1858) heeft geplakt (2). Het bericht gaat over de klokken die in de toren van de in 1860 gesloopte middeleeuwse kerk hingen. Maar er wordt ook in geschreven over een reeds in 1767 gebarsten klok, waarvoor de Hoogmogenden dat jaar toestemming gaven die te verkopen aan 's Lands Magazijn in Delft. De opbrengst (1600 gulden) was volgens het bericht bestemd om de straatweg tussen de twee bruggen van Stratum en Woensel te vernieuwen (vgl. hierna). Dit werk werd begroot op 4.200 gulden.

Inderdaad verzocht het stadsbestuur op 13 januari 1766 aan de Raden en Rekenmeesters van de Prins van Oranje om authorisatie voor de verkoop, maar de opbrengst wilde het niet gebruiken voor het bovengenoemde doel, maar voor het maken van een steenweg tussen de twee bruggen aan het Molenwater (aan het Stratumseind). Op 7 juni 1766 werd de klok verkocht. De stad moest van de opbrengst nog wel de 52 gulden betalen voor het vervoer naar 's-Hertogenbosch (3).

Het krantenbericht vervolgt, dat op het moment van de afbraak nog vier klokken aanwezig waren. Dit wordt bevestigd door een lijst die de burgemeester van Eindhoven in 1840 aan de gouverneur van de provincie zond. Het hand- schrift van die lijst is duidelijk van W. Hermans (4).

1. Allereerst was er een grote klok, 'George' genaamd, met een breedte van 1,25 el ( 125 cm) en voorzien van drie wapenschilden, te weten van de Prins, de stad en de klokkengieter. De klok vertoonde verder de volgende opschriften;
(a) Geen snaren speel en klinkt zo wel als het geluijt der klocken, die voor godswoordt worden gehoord en aangetrokken
(b) 1698. S feudi W.III D.G. REGIS MAG. BR. PR. AUR. ET NAS: Honi soit qui mal ij pense (c) sigillum opidit de Eindhoven ad legata
(d) Allexis Julien fecit
Het betreft hier vermoedelijk het omschrift (a) en de teksten bij de drie wapens (b, c en d). Deze klok was niet gedoopt. Hermans verbeterde het in de krant gedrukte jaartal 1668 in 1698.

Volgens de lijst van 1840 had de grote klok een breedte van 1,35 el i.p.v. 1,25 el en een hoogte van 1,10 el. Het omschrift luidde volgens de lijst: 'Geen snaren speel en klinckt soo wel als het geluijt der clocken, die voor Godts woordt worden gehoort en aengetrokken. 1698' Het omschrift van de ene medaille was volgens de lijst 'S:FEVDI W.III D.G. REGIS MAG.BR:PR:AVR: ET NASS:' en in kleine letters 'honi soit qui mal ij pense', van de andere medaille (aan de keerzijde van de klok): 'SIGILLVM * OPPIDI x DE x ENDHOVEN x AD x LEGATA.' De * wordt in de lijst weergegeven door een zesspakig rad. Verder wordt aangegeven, dat op het derde schild stond: ALEXIS + IULIEN'. Wij zien duidelijk wat afwijkingen met het krantenknipsel.

Het overzicht van de 'Luid- en Carillonklokken in Eindhoven gegoten tussen 1436 en 1940', dat L.C. Zonneveld in 1987 samenstelde - hij kende de opgaven uit 1840 en 1858 niet - geeft twee klokken die in 1698 door Alexius Julien gegoten werden. Volgens Zonneveld gaf het stadsbestuur op 10 augustus 1698 opdracht tot het hergieten van de oude klokken. Een van de nieuwe klokken woog 2.820 kg, zij scheurde in 1728 en werd in 1766 aan 's Lands Magazijn in Delft verkocht. De tweede van 1.430 kg barstte omstreeks 1878. Na reparatiepogingen werd de klok uiteindelijk op 18 december 1880 bij Petit en Fritsen ingeleverd om hergoten te worden (5).
Ook hiervan is een bevestiging te vinden. De Eindhovense magistraat besloot op 22 juli 1698 (en dus niet op 10 augustus) om twee klokken in de grote kerk te laten vergieten door mr. Alexis Julien, klokkengieter op dat moment in Eindhoven. De overeenkomst terzake werd op die dag in de vergadering voorgelezen. Deze overeenkomst is niet meer voorhanden, wel de financiële stukken. Volgens de gegevens in het parochiearchief barstte de klok van circa 1.400 kg en 200 jaar oud tussen 12 en 18 november 1880 en gaf toen een 'dof en akelig' geluid. Na vergeefse pogingen het geluid te herstellen, besloot het kerkbestuur alle zes klokken te laten vergieten (6).

2. De tweede klok die in het knipsel wordt genoemd had een breedte van 0,55 el (= 55 cm) en het opschrift 'P. Aveton santos Wilhelmus is mijnen naem mij geluijt sij God bequam p.p. int jaer 1623, heeft mij Jan Leer van Hemmelbach gegoten'.

Het bericht uit 1840 bevestigt de breedte, doch geeft als opschrift: 'P. Aveton, santus Wilhelmus is mijn naam mij geluijt zij God bequam p.p.', waarna een tekentje wordt afgebeeld (zie afb.). Onder de tekst wordt tweemaal getracht het jaartal op te lossen: (1) M Dl/ YIII, (2) M DC YIII. De letter Y moet vermoedelijk worden gelezen als een V. Ook hier dus duidelijk afwijkingen met de tekst uit het knipsel. De naam van de maker komt op de lijst niet eens voor. Noch in 1608, noch in 1613 of 1623 is overigens iets over het gieten van deze klok in de stadsrekeningen te vinden.

Zonneveld meent dat de klok van 614 kg die op 18 december 1880 bij Petit en Fritsen werd ingeleverd, dezelfde klok is geweest die het in 1766 verkochte exemplaar had vervangen (7). Onzes inziens betreft het echter deze klok, daar de opgave van 1858 buiten de vier hier genoemde, geen andere vermeldt. Overigens, zoals uit het bovenstaande blijkt, werd het in 1766 verkochte exemplaar niet vervangen.

3. De derde klok is van Jasper Moer en zijn zoon Jan. Na aanvankelijk samen met zijn broer Willem klokken te hebben gegoten, werkte meester Jaspar Moer vanaf 1520 alleen. Zijn drie laatste klokken (1539-1541) goot hij samen met zijn zoon meester Jan (8).
De klok was 0,70 el (= 70 cm) breed en had als opschrift: 'Anna is mijnen naem Jasper Moer ende Jan sijn soen maakte mij int jaer 1529'. Het bericht uit 1840 geeft als opschrift: 'Anna is myn naam. Jasper Moer ende Jan zijn soen maakte mij int jaar MCCCCC XXXIX'.
Vergelijken wij de eerste tekst met die van Adriaenssen, dan valt op dat de schrijver van het krantenartikel het niet zo nauw heeft genomen met kleine en hoofdletters en dat hij de jaartallen, die zeker in Romeinse cijfers stonden aangegeven, heeft omgezet in Arabische. Daarbij zal hij een fout hebben gemaakt door 1529 voor 1539 te lezen. Want de klokken die Jasper en zijn zoon samen goten, dateren namelijk - zoals al gezegd - uit de jaren 1539-1541.
In 1529 werkte Jasper nog alleen. Zonneveld bevestigt dat ook. Hij noemt als oudste klok "Anna is mijnen naem. Jasper (Moer) ende Jan synen soen maeckten my int jaer m ccccc xxxix', in gotische letters en tussen elk woord een palmet. Ook volgens hem had de klok een doorsnee van 70 cm en woog zij 199½ kg. Hij vermeldt verder dat de klok op 18 december 1880 bij Petit & Fritsen werd ingeleverd en door die firma in 1881 werd verkocht aan de N.H.-gemeente in Raamsdonksveer. Daar werd de klok op 29 januari 1943 gevorderd en afgevoerd naar Tilburg (9). De klok wordt ook door Adriaenssen vermeld en wel onder 1539 te Raamsdonksveer.

4. De laatste in 1858 genoemde klok was 1 el (= 100 cm) breed en vertoonde 'in gotische letters' het opschrift 'Maria is mijnen naem, mij geluijt is gode bequam, Jan Moor maakte mij int jaer 1565'. De tekst is nog meer verminkt dan die van de klok uit 1539. Ook bij deze klok wijkt het bericht uit 1840 af. Dat geeft als opschrift: 'Maria is mynen naam, mij geluijt is Gode bequam. Jan Moor maakte mij int jaar MCCCCCLXX.' Hier is het jaar 1570 i.p.v. 1565. Dit verschil kan mogelijk worden verklaard als de laatste letter een Y (=V) is geweest, die hier als een X is gelezen. Het jaar 1570 is onmogelijk, daar Jan Moer in 1568 of 1569 is overleden.

Zonneveld geeft geen informatie over deze klok, terwijl hij anderzijds een klok over heeft en wel het exemplaar van 104 kg dat ook op 18 december 1880 bij Petit & Fritsen werd ingeleverd. Deze klok werd dus niet - zoals Zonneveld dacht - tussen 1809 en 1880 gegoten (10).
De uit bronnen bekende klokken van meester Jan Hornken van vóór 1457 (11) en de klok van de gebroeders Jan en Willem Hornken uit 1461 (12), die in opdracht van de stad waren gegoten, waren al eerder vervangen, evenals de met name genoemde St.Antonisklok, die in 1597 was gebarsten en 'haeren clanck verlooren had'. Voor de reparatie van deze klok, samen met de andere klokken in de toren, werd op 12 april 1597 met Peter Diericx een overeenkomst aangegaan (13).


Noten: 1. L.W.F. Adriaenssen, De Bossche familie Moer in kerkklokken, altaarstukken en gebed (1452-1644), in: De Brabantse Leeuw 37 (1988), 199-208; L.W.F. Adriaenssen, De Bossche klokkengietersfamilie Moer, 1450-1570, in: Noordbrabants Historisch Jaarboek 6 (1989), 45-78. De lijst van klokken vindt men daar op pg. 57-69.
2. P.100. Het handschrift berust in het Streekarchief Regio Eindhoven-Kempenland (SAREK/RHCe).
3. Rijksarchief in Noord-Brabant, Archief Provinciaal Bestuur, inv.nr. 4410. Met dank aan Jan Spoorenberg, die mij op deze bron wees.
4. SAREK/RHCe, Administratief archief Eindhoven vóór 1795 (AAEi), E28, folio 67v (13.1.1766); E7, folio 118 (2.4.1767).
5. SAREK/RHCe, typeschrift. Zie speciaal sub G, nrs. 2 en 3.
6. SAREK/RHCe, AAEi, E1, folio 229v (22.7.1698); bijlage bij de borgemeestersrekening 1698/1699, z.nr.; E 294 (rekening van het weggeld 1698/1700) fo. 25-69; Parochie-archief St.Catharina Eindhoven, parochiememoriaal, hfd.10 sub 1880.
7. Zonneveld, sub G nr. 4.
8. Adriaenssen (1989), 56.
9. Zonneveld, sub G, nr.1.
10. Aldaar sub H, nr. 7.
11. Stadsarchief 's-Hertogenbosch, Rechterlijk Archief ’s-Hertogenbosch nr. 1227, folio 179v.
12. Aldaar nr. 1232 fol.98 (29.1.1462), 100 (12.2.1462) en 189 (21.1.1462).

Jan Melssen 1991