Aan de totstandkoming van deze digitale encyclopedie wordt nog gewerkt.

Muurschilderingen in de middeleeuwse kerk

Uit De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Muurschilderingen in de middeleeuwse kerk?

De oude Catharinakerk in de 17e eeuw, die in 1860 werd afgebroken.

Eigenaardig bericht betreffende de St. Catharinakerk te Eindhoven uit 1862.

Dit bericht is te vinden in het "Verslag van de Commissie der Koninklijke Academie van Wetenschappen tot het opsporen, het behoud en het bekend maken van Overblijfsels der Vaderlandsche Kunst uit Vroegere Tijden." Deze Verslagen lopen van "voor den Jare 1862" tot "voor den Jare 1873". Men komt onder de indruk van de activiteiten van deze Commissie als men van jaar tot jaar de resultaten kan volgen. Deze hebben met name betrekking op de ontdekking van muurschilderingen in oude kerken.

-De oudste berichten over herontdekte muurschilderingen in kerken zijn van ± 1845. In 1846 had Professor N.C. Kist van de Universiteit van Leiden in het door hem opgerichte "Archief voor kerkelijke geschiedenis" een artikel van 56 blz. gepubliceerd onder de titel: "Iets over de hier te lande kortelings ontdekte Middeleeuwsche muurschilderingen, bijzonder over die in de Pieters-kerk te Leiden". Wil men het lezen, vergeet dan niet, de zware kritiek hierop door te nemen van Th.J. Borret in "De Katholiek" 1847 (XI, J20-334).

Het mag als algemeen bekend worden verondersteld, dat de witkalk, aangewend om de muur- en gewelfschilderingen te bedekken, deze heeft geconserveerd. Dr. C. Leemans, die meer dan 50 jaar directeur was van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden en die vooral naam verwierf als egyptoloog, had al terecht opgemerkt (Staatscourant 1 nov, 1845) dat het geen "al fresco" schilderingen waren, maar veeleer werk dat met "a tempera" noemt. De uitdrukking "de dwingelandij van den witkwast" komt niet van katholieke zijde, maar van deze hooggeleerde heer Leemans.

De oude Catharinakerk in 1860, naar een maquette vervaardigd door Henk Smulders.

Ook de oudheidkundige L.J.P. Janssen, verbonden aan het Museum voor Oudheden te Leiden, heeft over deze muurschilderingen gepubliceerd, (o,a. in het Tijdschrift voor Geschied- en Oudheden van Utrecht 1846.) Ik wil er maar op wijzen, dat er onder- het "beschaafd publiek" (zoals Janssen het noemt) in de jaren tussen ± 1840 en ± 1880 naarstig gespeurd werd naar deze schilderingen. Doordat er publiciteit aan werd gegeven, lukte het vaak deze schilderingen te behouden. Veelzeggend is in dit opzicht de volgende zin die Prof. Kist op blz. 29 neerschrijft: "Maar er bestond vrees, dat juist de plaatsing van het schilderwerk, geheel in het gezicht der kerkgangers, deszelfs bewaring niet zou doen raadzaam zijn, en het werd aan mij overgelaten, om door bespoedigde afbeelding voor te komen, dat niet de ontdekking te vergeefs zou hebben plaats gehad."(vgl. Br.H., nov-dec. 1969, blz. 139).

Het is zeer opvallend, dat in de Verslagen van de Commissie voornoemd, bijna geen berichten voorkomen over het zuiden van ons land. Ik vond slechts een kort bericht over Neerlangel (oude toren) en een bericht, afkomstig van Jhr. Victor de Stuers te Maastricht over muurschilderingen in de voormalige Dominikanenkerk aldaar, en over een muurschildering in de kerk van de Minderbroeders, "thans" (=1868) Rijksarsenaal te Maastricht.

Er is echter ook een bericht over Eindhoven, een bericht dat alleen nog maar bewijst, hoe slecht men in die jaren op de hoogte was van de toestanden in het zuiden. Het Verslag voor de Commissie voor den Jare 1862 zegt op
blz. 19-20 het volgende: "De nieuwspapieren hadden de ontdekking van belangrijke muurschilderingen te Alkmaar vermeld, en tevens, dat door het hoofd van het Gemeentebestuur onmiddellijk de noodige maatregelen genomen waren, om in goede teekeningen nieuwe bijdragen voor de beoefening der Vaderlandsche Kunstgeschiedenis aan te winnen."

Iets verder op blz. 20 staat dan: "Of zulk eene belangstellende zorg ook te Eindhoven hare goede werking heeft doen gevoelen, bij de aanzienlijke herbouwing of verbouwing van de Groote Kerk, zal welligt later kunnen blijken." (Men wist blijkbaar niet eens, dat de oude St. Catharinakerk reeds was afgebroken, en dat men reeds bezig was met het grondwerk voor de huidige). Het artikel vervolgt: "Vroegere verbouwingen, met name die van den aanvang der loopende eeuw, hadden veel van den oorspronkelijken toestand gewijzigd, zoo als die tot het begin der 15e of het einde der 14e eeuw kon teruggebragt worden." Ook hier zal men wel even zijn wenkbrauwen fronsen: de oude St. Catharinakerk is van 1489 (zie in "Rond onze Stadskerk", Eindhoven 1954, het artikel van Herm.H.M. Strijbosch, blz. 15-19). In nagenoeg alle "kunsthistorische" werken van vóór ± 1880 is het gebrek aan kunsthistorische "kennis" opvallend! Dat blijkt ook uit de voortdurend foutieve dateringen.

We lezen verder: "Maar er was toch veel overgebleven, wat nog van dien vroegeren tijd dagteekende; en de voorgenomen werken konden bijzonderheden aan den dag brengen hetzij in bouwkunstige versierselen en beeldhouwwerk, hetzij in schilderingen op de wanden, die voor de geschiedenis der kunst eene betrekkelijk groote waarde hadden. Daarom rigtte de Commissie ook aan het Parochiale Kerkbestuur te Eindhoven een schrijven, om, voor zoover dit welligt noodig mogt zijn, de aandacht op het onderwerp te vestigen, en om zich aan te bevelen voor de mededeeling van de bijzonderheden, die, uit een bouwkunstig oogpunt van eenig belang, bij den loop der voorgestelde werkzaamheden zich mogten voordoen."

En dan te weten, dat het kerkbestuur reeds in 1859 aan dr. P. Cuypers de opdracht had gegeven, een kerk te bouwen, die blijvend zou domineren over de stad Eindhoven! Kon architect C.H. de Bever in "Rond onze Stadskerk" op blz. 11 nog constateren: "Hierin is men geslaagd", en: "de kerk zou in grootte alle gebouwen te boven gaan", tegenwoordig zou men in goed Eindhovens kunnen zeggen: "'k wit 't nog zo net nie".

Bron:
P. v.d. Burgt, Mededelingen- en contactblad van de Heemkundige Studiekring Eindhoven, november 1972